In onze familie hadden we eens een priester: rector Jos Moubis. De goede man vond dat zijn zielenheil voor de eeuwigheid gewaarborgd moest worden en richtte daarvoor in 1905 twee studiebeurzenstichtingen op die tot op de dag van vandaag bestaan.

Een stukje familie geschiedenis.

De familie Moubis komt oorspronkelijk uit het dorpje Lobberich vlak over de Duitse grens bij Venlo. Jan Mobis, zo werd de naam rond ± 1600 geschreven, was boer en "scholtheiss" (burgemeester) van het dorp Lobberich. Zijn zoon Paul (±1608 - ±1675), kleinzoon Quirin (Crein) (1644 - ± 1700) en achterkleinzoon Mathias (1674-1729) leefden ook als boer, schepen en/of burgervader van Lobberich. De zoon van Mathias, Heinrich Moubis (1702-1769), vestigde zich na zijn huwelijk met een rijke boerendochter uit Breyell in het nabijgelegen Schaag. Heinrich legde zich op de handel toe en begon een koopmanshuis in "Kolonialwaren" zoals tabak en textiel. Zijn zoon Mathias (1730-1784) zette de handel voort en zijn beide kleinzonen Johann Heinrich (1758-1835) en Johann Mathias (1769-1844) werden allebei handelslieden. Johann Heinrich zette het handelshuis van zijn vader in Schaag voort; zijn broer Johann Mathias begon een nieuw handelshuis in Breyell. Hier begon het eerste contact met Steyl en Tegelen. Johann Heinrich bouwde in 1796 in Schaag een groot koopmanshuis in het centrum van het dorp. Het huis aan de Annastrasse staat er nog steeds en werd bewoond door de dames Strötges wier vader het huis rond 1900 van de familie Moubis kocht. Het pand staat nu op de monumentenlijst en wordt door een particulier bewoond.In 1798 trouwde Johann Heinrich Moubis uit Schaag met Hendrina Franssen, de dochter van postmeester Franssen uit Tegelen. In de andere tak Moubis trouwde de zoon van Johann Mathias uit Breyell, Leopold (1806-1856), met Wilhelmina de Rijk, de dochter van de schatrijke Gradus de Rijk uit Steyl. Leopold vestigde zich in Steyl en begon daar een handelshuis. Het echtpaar Leopold Moubis-de Rijk woonde in een paleisachtige villa aan de Waterloostraat in Steyl. Dit huis werd later het St.Jozefklooster en ligt nu in het park “Palais Moubis” in Steijl. Uit het huwelijk van Johann Heinrich en Hendrina Moubis-Franssen werden 8 kinderen geboren. De zoons uit dit gezin waren de volgende: Mathias (1802-1866) huwde met Antonetta Canoy uit Steyl en vestigde zich in 1829, evenals zijn neef Leopold in Steyl. Carl bleef zijn leven lang vrijgezel en was "Ökonom". Hij nam het handelshuis van vader Johann Heinrich in Schaag later over en ontplooide later velerlei activiteiten op handelsgebied. Van hem is bekend dat hij zich zeer heeft.ingezet voor de bouw van de spoorlijn van Venlo naar Viersen.Franz (1809-1380) trouwde in 1833 met Anna Hoffmanns en trok met zijn 8 kinderen naar Boisheim en later naar Keulen.Johann Heinrich (1815-1879) huwde in 1838 met Adelheid Heugen (1819-1872) de dochter van de burgemeester van Schaag en werd later zelf burgemeester van Schaag.

Naar Steijl

Mathias Moubis, de oudste zoon van het echtpaar Moubis-Franssen, stichtte, net als zijn neef Leopold, een handelshuis in Steyl. Hij handelde in diverse goederen zoals bijvoorbeeld wijn, likeuren, textiel, kleding, tabak, olie en alle in het dagelijks leven veel voorkomende artikelen. Hij bezat een zeepziederij en vele stukken grond in Steyl en omgeving die hij verpachtte. Ook het echtpaar Moubis-Canoy werd met een twaalftal kinderen gezegend.

De takken van de familie Moubis

Later volgt hier een beperkt afstammingsoverzicht van het echtpaar Mathias Moubis en Antonetta Canoy. De cursief geschreven namen zijn van de personen die een rol in het bestuur van de stichtingen gespeeld hebben.

De priesters.

Ferd. Moubis(1834-1898) werd priester en in 1859 professor aan het college van Rolduc. In 1883 werd hij benoemd tot deken van Heerlen. Jos (1844-1925) werd in 1868 priester gewijd na een studie aan het college van Rolduc en het Bisschoppelijk College te Roermond. Zijn levensgeschiedenis volgt uitgebreid in een later hoofdstuk.

De tak Moubis-Eindhoven.

Carl Moubis (1836-1914) trouwde in 1868 met Maria Orth (1835-1873) maar werd kort daarna weduwnaar. Carl Moubis is de stamvader van de meeste nu nog levende familieleden met de naam Moubis. Zijn zoon Ferd (1869-1925) trouwde in 1901 met Zulmee Meesschaert (1871-1923). Zijn kleinzoon Jo Moubis (1907-1986) trouwde in 1936 met Zus Esseling. Zijn achterkleinzoon Ferrie (1946),de schrijver dezes, trouwde in 1969 met Bernadette de Bitter. Zij vormen een deel van de tak "Moubis-Eindhoven".

De tak Moubis-Den Bosch.

Bernhard Moubis (1842-1894) trouwde in 1873 met Josephine van Schevichaven (1851-1943). Hij werd stationschef van s’-Hertogenbosch. Het echtpaar Moubis in Den Bosch kreeg 8 kinderen; 7 dochters en één zoon. Zij vormden de tak "Moubis-Den Bosch" in de afstammingslijn van Mathias Moubis en Antonetta Canoy.  De enige zoon, Ferd Moubis (1880-1960) trouwde in 1924 met Elisabeth Bolsius (1901-1968). Ferd was civiel ingenieur (Delft) en eindigde zijn carrière als directeur van Wederopbouw en Volkshuisvesting van de stad Maastricht  Dochter Louise Moubis (1887-1961) zonder beroep, bleef haar leven lang vrijgezel en leefde van de rente van het familiekapitaal. Zij genoot bekendheid als een van de "dames Moubis uit Den Bosch" of zoals in de familie gezegd werd; "de tantes uit Den Bosch". Wies leefde met haar moeder en zusters in een statig huis aan de oranje Nassaulaan 16 in 's-Hertogenbosch. In 1961 werd zij zo ziek dat zij opgenomen moest worden in het verzorgingshuis "Berkele Heem" in Horst (L) waar zij datzelfde jaar overleed. Caroline Moubis (1890-197!21 was de jongste dochter van het gezin Moubis in Den Bosch. Zij was bibliothecaresse en werkte op het rijksarchief in Den Bosch. Na de verkoop van het ouderlijk huis aan de Oranje Nassaulaan in Den Bosch, in 1958, ging Caroline in Rosmalen wonen. Vanaf 1962 woonde zij in Oss, vanaf 1973 in het bejaardenhuis in Heesch. Met haar dood, in 1976, stierf de tak "Moubis-Den Bosch" van de familie uit.

De tak Nederveen.

Berthold Moubis (1846-1919) ging op 17 jarige leeftijd als kwekeling naar ‘s Rijks Veeartsenschool in Utrecht om voor rekening van het Departement van Oorlog te worden opgeleid tot paardenarts. In 1867 werd hij benoemd tot veearts en trad hij in dienst van de landmacht. Hij bracht het in dienst van zijne Majesteit tot Luitenant-kolonel Dirigerend Paardenarts. Zijn eerste twee echtgenotes stierven binnen enkele jaren na hun huwelijk. Drie van de vijf dochters uit deze huwelijken stierven kort na hun geboorte.  In 1890 trad Berthold voor de derde keer in het huwelijk en wel met de Amsterdamse Anna van Hafkenscheid (1853-1936). Uit dit huwelijk werd een dochter, Catherine, geboren. Twee maanden voor de dood van haar vader, in 1919, trouwde Catherine met Mr. Frans Nederveen (1894-1970), een jurist uit Roermond. Zij werden de "tak Nederveen" in de afstammingslijn van Mathias Moubis en Antonetta Canoy.

De tak Cleophas-Steyl.

Bernadien Moubis (1849-1920) trouwde in 1868 met de Belgische "Rijksverificateur der douane" Emire Simonart uit Gent. Dien heeft hem vermoedelijk leren kennen tijdens de periode dat zij bij haar broer Bernhard in Achel woonde waar deze in 1866 stationschef was. Bernadien overleed in Beek waar zij bij haar kleindochter Pauline Cleophas woonde, die daar onderwijzeres was. Uit het echtpaar Simonart werden vermoedelijk 3 kinderen geboren waarvan de oudste en de jongste waarschijnlijk vrij jong gestorven zijn.  De dochter, Pauline Simonart (1872-1912), het tweede kind van het echtpaar Simonart, trouwde in 1893 met sigarenfabrikant Gerard Cleophas (1863-1938) uit Steyl. Gerard Cleophas was goed bevriend met rector Jos Moubis. Het gezin Cleophas kreeg 11 kinderen die de "tak Cleophas" in de afstamming van Mathias Moubis en Antonetta Canoy vormen.

De overige kinderen.

Angelina (1832-1837) ,Mathias (1838-1839) en Bernard (1842- ?) Overleden op zeer jonge leeftijd en over hen is erg weinig bekend. Ignace (1852-1904) trof het niet zo best in het leven. Uit de brieven van Jos aan zijn broer Ferd blijkt dat hun jongste broer, Ignace, waarschijnlijk krankzinnig geweest is. Hij stierf in 1904 in een inrichting in St.Truiden. Caroline (1840-1907) trouwde met brouwer Henk Ronck (1817-1882) van de herbergierfamilie Ronck uit Steyl. Zij is de enige Moubis die Steyl haar hele leven is trouw gebleven. Na de dood van haar man leefde zij, samen met haar beide zwagers, van een boerenbedrijfje in Steyl. Caroline kon het goed met haar broer Jos vinden.  Elisa (1855-1934) was de jongste dochter van het echtpaar Moubis-Canoy. Zij woonde een groot deel van haar leven thuis en verzorgde haar moeder en oudere zuster Caroline. Op latere leeftijd werd zij dement. In 1926, bij de grote watersnood die ook half Steyl onder water zette, werd zij met een hele hoop katten door de veldwachter onder grote publieke belangstelling via het dak uit haar huisje aan de Riethstraat gehaald. Zij overleed in 1934 in een bejaardentehuis in Horst.

Jos Moubis ; priester en missionaris.

Julius Joseph Hubert Moubis, de zoon van Mathias Moubis en Antonetta Canoy is de stichter van de St.Josephstichting en de St.Raphaël Stichting. Een korte weergave van zijn levensgeschiedenis.

Zijn jeugd.

Julius Joseph Hubert Moubis, kortweg J.Jos.H.Moubis, werd op 27 mei 1844 als het zevende kind van het echtpaar Mathias Moubis en Antonetta Canoy geboren . Na de lagere school bezocht te hebben in Steyl ging hij in 1859 naar het eerbiedwaardige college van Rolduc. Dat hij nu juist daar naar toe ging was niet zo verwonderlijk want zijn oudste broer Ferd was in dat jaar, 1859, als priester-docent aan hetzelfde college wiskundeles gaan geven. Na Rolduc volgde een priesteropleiding aan het Bisschoppelijk College in Roermond. Jos Moubis ontving achtereenvolgens op: - 25 februari 1866 de 4 Mindere Orden, - 6 april 1867 het Subdiaconaat, - 15 juni 1867 het Diaconaat, - 28 maart 1868 het Priesterschap. Hij schreef in een overzicht dat hij na 1900 voor zijn Canadese vrienden schreef dat hij graag missionaris had willen worden om in China in een missie te kunnen gaan werken. Het werd echter ........ St.Odiliënberg bij Roermond waar hij op 30 september 1868 tot kapelaan van de St.Wironiskerk benoemd werd.

In Canada bestond een grote behoefte aan geestelijken. Deze jonge emigrantenstaat herbergde verschillende bevolkingsgroepen met een ruime meerderheid van Ierse afkomst. De Duitse katholieken vormden slechts een kleine minderheid waarvoor nauwelijks een eigen geestelijke verzorging in hun landstaal aanwezig was. Dr. Louis Funcken, overste van de Redemptoristen in Waterloo in Canada, wierf dan ook actief Duitse en Nederlandse priesters om in Canada te komen missioneren. Jos Moubis liet zich, samen met Eugène Funcken, de broer van Louis, overhalen om naar Canada te komen. Op 17 juni 1872 vertrokken zij uit Steyl om zich naar de Nieuwe Wereld te begeven. Vanuit Steyl via St.Odiliënberg, Brussel en Parijs gingen zij in Le Havre aan boord van de "Ville de Paris" die hen op haar laatste reis naar New York bracht. Korte tijd later verging het schip in de wateren van Brazilië.

Missionaris in Canada.

De eerste maanden in Canada mocht Jos zich bezighouden met de Duitse parochianen van de St.Josephparochie in de stad Hamilton. Al gauw werd hem echter de missiepost Formosa, enkele honderden kilometers ten noordoosten van Toronto, toegewezen. Twee jaar hield hij het vol maar de intriges van de Ierse geestelijken in het bisdom bij de nieuwe (Ierse) bisschop van Hamilton werkten funest en tot zijn grote schande en verdriet werd hij in oktober 1874 teruggeroepen naar Hamilton Teruggekeerd in Hamilton kreeg hij de opdracht om zich weer met de weinige Duitse katholieken in die stad bezig te houden en een Duitse parochie te stichten. Zijn hart ging echter uit naar de echte missie op het platteland, ver buiten de stad. Hij bleef intensief contact houden met zijn vrienden in het dorp Formosa, studeerde en reisde door het noorden van Canada. In 1877 werd Jos benoemd tot missionaris van Deemerton Mildmay, een dorp in de buurt van Formosa. Er begonnen zich bij Jos in de jaren die volgden ziekteverschijnselen af te tekenen o.a. reuma en bronchitis. Jos overwoog in een kloosterorde in te treden en zich uit de wereldlijke geestelijkheid terug te trekken; hij twijfelde zeer aan zijn slagen als missionaris. In 1881 schreef hij Ferd zelfs dat hij maar alvast zijn testament had gemaakt. Uit de brieven blijkt dat hij toen al besloten had om terug te keren naar zijn geboortegrond, Limburg.

Terug in Nederland.

Bij zijn terugkeer in 1881 bleef Jos de rest van dat jaar in Steyl. in Canada had hij behoorlijk geld verdiend. Ook de pachten van de grondbezit uit het erfgoed van vader Mathias en de renten van het geïnvesteerd familiekapitaal leverden voldoende op om van te kunnen rentenieren. Jos was echter aan zijn stand als geestelijke verplicht om Gods Woord te verbreiden. In augustus 1881 werd hij slotkapelaan op kasteel Neuborg bij graaf Oscar van Marchant et Ansembourg. Eind 1886 keerde hij terug naar Venlo om in het klooster bij de zusters Ursulinen rector te worden. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan en Jos kon de lust tot missioneren niet bedwingen.In 1887 liet Jos zich benoemen tot pastoor van het dorp Sclerder in Wales maar het duurt geen vier maanden of hij werd weer ernstig ziek. In de twee jaren die volgden verbleef hij bij de Jezuïeten in Rochampton bij Londen, Stony Hurst en St.Bueno bij St.Asoph in Wales. In deze plaatsen zijn scholen van Jezuïeten gevestigd waar hij les kon geven. Zijn ziekte dwong hem echter toch weer naar huis terug te keren. Eenmaal terug in Steyl werd hij in 1889 benoemd tot rector bij de zusters Benedictinessen in het klooster Nazareth (de Oude Munt) in Tegelen . In datzelfde jaar, 1889, overleed zijn moeder, Antonetta Moubis-Canoy.

Rector J.Jos.H.Moubis.

Eenmaal terug in zijn vertrouwde omgeving knapte hij langzaam weer op. Ondanks dat zijn broer Ferd de oudste was werd Jos toch zoiets als een "pater familias". Professor Ferd had een drukbezet leven als deken van Heerlen en kwam slechts bij gelegenheid in Steyl. Jos handelde een aantal familiezaken af en beheerde in overleg met notaris Canoy uit Venlo de onverdeelde boedel van de erven Mathias Moubis. In 1893 aanvaardde Jos zelfs weer werk buiten het klooster Nazareth. Hij werd tweede kapelaan van de parochie van St.Martinus in Tegelen onder leiding van pastoor Meertens. In 1898 stichtte hij de kapel der Aartsengelen Michaël en Raphaël aan de Waterloostraat in Steyl. Gerard Cleophas schonk hem hiervoor het voornaamste: een are grond naast het huis van de familie Cleophas aan de Waterloostraat. Op 23 december 1899 sloot Jos met de Broeders van Liefde in Gent een contract waardoor zijn broer Ignace voor de somma van 11.000 franken zijn leven lang in de inrichting van de Broeders in St.Truiden door de broeders verzorgd kon worden. Rector Jos Moubis werd een vertrouwde verschijning in het beeld van Tegelen en Steyl.

De St.Raphaël Stichting.

Jos Moubis bracht op 14 april 1905 de kapel samen met een deel van de grond die hij bezat onder in de St.Raphaël Stichting en vestigde deze stichting in Steyl. Van de rente die de anderhalve hectare grond opbracht moesten de doelstellingen van de stichting verwezenlijkt worden. In de oorspronkelijke akte kunnen we lezen dat de doelstellingen van deze eerste stichting waren:

  • Het verlenen van studiebeurzen aan wettige mannelijke en vrouwelijke afstammelingen van Mathias Moubis en Antonetta Canoy, die zich tot priester, onderwijzer of onderwijzeres willen bekwamen. Mochten die er niet zijn dan kon ondersteuning gegeven worden voor een ander eerzaam beroep of handwerk van welke aard dat ook zijn mocht.

  • Ondersteuning van verarmde of behoeftige familieleden echter onder de nadrukkelijke voorwaarde : "zo nochtans dat daardoor geen bijzonder ongerief voor hen ontsta, die in het genot der beurs zijn".

  • Mocht na oproeping geen der familieleden een beroep op de stichting doen dan moest de rente van van het stichtingskapitaal uitgekeerd worden aan hen die zich bezig hielden met de bekering der paria's in Indië of met de melaatsen in Japan of aan de patriarch der Chaldeeuwen in Jeruzalem.

Het onderhoud van de kapel werd ook in de akte geregeld en de salariëring van een koster die de kapel bij moest houden. In de akte zijn enkele kostelijke bijzonderheden opgenomen met betrekking tot de wijze waarop een beurs verleend moest worden of een familielid geld mocht ontvangen.

  • Iemand die bijzonder onderwijs volgde evenals iemand die de naam Moubis droeg had voorrang.
  • Zij die geld van de stichting ontvingen waren verplicht om dagelijks vijf Onze vaders en vijf Wees-Gegroetjes te bidden, iets waaraan door de beheerders telkenmale te herinneren was.
  • Priesterstudenten hadden vrijwel absolute prioriteit.
  • De koster diende elke dag en vooral ‘s zondags een licht in de kapel te laten branden.
  • De kapel mocht niet verkocht worden zolang er een afstammeling van Gerard Cleophas en Marie Simonart in het huis naast de kapel woonde. Alleen als alle afstammelingen van dit echtpaar daar toestemming toe gaven mocht tot verkoop van kapel met tuin overgegaan worden. In de jaren vijftig gaf dit laatste nog eens flinke problemen bij een poging tot overdracht aan de plaatselijke parochie.

Rector Jos Moubis hield tot zijn dood het recht om de opbrengst van de stichtingen voor zichzelf te houden.

De St.Josephstichting.

Op 30 november 1905 stichtte Jos Moubis nog eens een vergelijkbare stichting, de St.Josephstichting, met vrijwel dezelfde doelstellingen maar gevestigd in Belfeld in plaats van in Steyl. In deze stichting werd een beduidend groter bezit ondergebracht; een boerenhoeve op de Bolenberg en zo'n 12 hectare grond in Belfeld. De renten van deze bezittingen dienden niet direct om geld uit te keren maar om een kapitaal te vormen. De rente van dit kapitaal diende weer om met een maximum van ƒ 180,- per jaar per persoon studiebeurzen te verstrekken of andere uitkeringen te doen.

De dood van J.Jos.H.Moubis.

Jos Moubis had geen al te zware taak als rector van de zusters van de Oude Munt. Hij was daarom regelmatig in Steyl en Tegelen te zien bij gelegenheden waarvoor hij, als een der notabelen van de dorpsgemeenschap, uitgenodigd werd. Hij zorgde voor zijn kapel aan de Waterloostraat, ook wel het "donderkapelleke" genoemd omdat Jos Moubis als de dood zo bang voor onweer was.

Kort na 1900 had Jos Moubis een tiental jaren intensief contact met Mgr. Thomas, patriarch en bisschop der Chaldeeuwen in Seerd (Irak). Jos zorgde voor schenkingen aan deze bisschop en onderhield voor hem contacten met gulle gevers in Nederland en België. Jos Moubis dook in archieven in de wijde omgeving van Steyl en zette samen met een vriend, Hub. Michels, de stadsarchivaris van Venlo, vele stambomen op waaronder die van de familie Moubis. In 1923 werd Jos Moubis uit het bevolkingsregister van Tegelen uitgeschreven en in Venray op het adres van de St. Servatiusstichting weer ingeschreven.

Op het bidprentje staat vermeld: "Als rector van dit klooster (de Oude Munt) is hij in het St. Servatiusgesticht (afdeeling Zenuwzieken) te Venray tijdig voorzien van de H.H.Sacramenten en na een kortstondige ziekte, den 29en December 1925 godvruchtig in de Heer overleden.

Jos Moubis werd begraven op het kerkhof in Tegelen en zijn graf bestaat daar nog steeds. Het ligt aan het centrale plein van het kerkhof onder een boom.

Na de dood van de stichter.

Na de dood van Jos Moubis werd ir. Ferd. Moubis, de neef van Jos, executeur testamentair. Hij nam tevens het voorzitterschap op zich van de St.Josephstichting en zou deze functie tot 1946 bekleden. Samen met hem werd Gerard Cleophas benoemd tot medebeheerder. Gezien de afstand van Maastricht nam deze Gerard Cleophas, samen met zijn dochter Pauline, het dagelijkse werk op zich; contacten met de pachters, familie, bijhouden van geboorten, huwelijk en overlijden in de familie. Het grootste deel van de opbrengsten kwam uit het pachten van hakhout en landerijen en werd besteed aan twee familieleden die beiden een studiebeurs kregen.

Zoals bepaald in de stichtingsakte kreeg Liza, de jongste zuster van Jos, haar hele leven een vaste toelage van f 60,- per jaar uit de St.Josephstichting. Zij zou deze toelage tot 1933, het jaar voor haar dood, blijven ontvangen. In 1929 werd de Bolenberghoeve, eigendom van de St.Josephstichting wegens ingrijpende en daardoor te dure reparatiewerkzaamheden verkocht. Met de dood van Gerard Cleophas in 1938 ontstond er een vacature in het bestuur die werd opgevuld door Mathieu Weekers, de schoonzoon van Gerard Cleophas. Geestelijken zoals pastoor Windhausen van Steyl en pastoor A.van de Venne van Belfeld vormden de overige leden van het bestuur en pastoor A. van de Venne voerde vele jaren het secretariaat.

De oorlogsjaren brachten, zoals voor velen, ook voor de St.Josephstichting grote moeilijkheden met zich mee. De inkomsten liepen in het honderd, de jaarvergadering van 1944 kon zelfs wegens "den oorlogstoestand" niet gehouden worden. In het bestuur werd vastgesteld dat, indien er uit de St.Josephstichting onvoldoende middelen aanwezig waren voor beurzen en steun aan de familie, er een beroep op de St.Raphaël Stichting gedaan moest worden. In 1948 droeg Ferd Moubis zijn bestuurslidmaatschap wegens drukke werkzaamheden over aan zijn zuster in 's-Hertogenbosch, Louise Moubis. Pastoor A.van de Venne werd in 1947 opgevolgd door pastoor E.H. Stevens van Belfeld. In 1952 werd de gezamenlijke kas met f 100,- "overschat" en kwam men geld tekort voor de betaling van de beurzen. Toen Louise Moubis in 1963 ernstig ziek werd, was zij niet meer in staat om haar functie in het bestuur te vervullen. Mathieu Weekers, die haar de jaarlijkse financiële overzichten ter goedkeuring toezond, kreeg dan ook een vinnig briefje terug van Caroline Moubis, de jongste zuster van Louise. Ze deelde hem mee dat haar zuster zich niet meer met dergelijke zaken kon bezig houden. Toen Louise overleed kwam Caroline, als oudste in leven zijnde familielid, het recht van opvolging in het bestuur toe. Ook Caroline zou tot vlak voor haar dood, in 1976, de scepter zwaaien over de St.Josephstichting en de St.Raphaël Stichting. Zij benoemde Jo Moubis uit Eindhoven tot haar opvolger. Vanaf dat moment zat hij samen met "meister" Mathieu Weekers, de pastoors van Belfeld en Steyl en de deken van Venlo in het bestuur. De geschiedenis van de St.Raphaël Stichting loopt in feite parallel aan die van de St.Josephstichting. De kapel werd vanaf het begin door kosteres Pauline Cleophas onderhouden waarvoor zij elk jaar het luttele bedrag van f 10,- kreeg.

Na de oorlog, toen de kapel door het oorlogsgeweld in een deplorabele staat verkeerde, heeft zij vele uren besteed om "het kapelleke" weer in orde te brengen en te houden. In 1950 wilde het bestuur de kapel aan de parochie verkopen voor de symbolische som van f l,- . De parochie van St.Rochus in Steyl, beter bij kas dan de stichtingen, was bereid de kapel grondig te restaureren als zij eigendom van de parochie werd. Zoals in de akte voorgeschreven moesten echter alle afstammelingen van Gerard Cleophas en Marie Simonart toestemming geven voor de verkoop van de kapel . En zoals zo vaak; "zoveel hoofden zoveel zinnen" en één van de elf kinderen weigerde. Het conflict sleepte jaren voort en uiteindelijk bleef de kapel in bezit van de St.Raphaël Stichting.

Een nieuwe tijd.

Rond 1975 gebeurden er twee dingen die het reilen en zeilen van de stichtingen enorm zouden gaan beïnvloeden

De wetgeving.

In 1975 veranderde de wetgeving ten aanzien van stichtingen en verenigingen. De stichtingen moesten tot dan toe jaarlijks rekening en verantwoording afleggen over de wijze van belegging van het stichtingskapitaal, de basis van de stichtingen. Tevens moest er voor allerlei zaken toestemming gevraagd worden aan commissies bij Gedeputeerde Staten en het Ministerie van Onderwijs. Stichtingen werden vanaf 1975 ingevolge de wet verplicht zich in te laten schrijven in het Register van Stichtingen bij de Kamer van Koophandel. De statuten moesten tevens gedeponeerd worden om de stichting als rechtspersoon naar buiten te kunnen laten optreden. In overleg met de pastoors van Belfeld en Steyl en Tegelen en de deken van Venlo die als “beheerders en begevers” van de stichtingen optraden werden twee belangrijke zaken in de akten gewijzigd:

  1. Het bestuur van beide stichtingen zou voortaan hetzelfde driemanschap zijn:
  • Mathieu Weekers uit Steyl
  • Jo Moubis uit Eindhoven
  • Pastoor Arnold Jacobs uit Belfeld

Elk bestuurslid kreeg daarbij volgens de statuten het recht zijn eigen opvolger te benoemen

De akten, statuten, van de stichtingen werden gemoderniseerd en aan de huidige tijd aangepast. Clausules, zoals o.a. het maximum van f 180,- per jaar voor een beurs, werden geschrapt evenals allerlei voorrangsregels. De doelstellingen werden sterk vereenvoudigd en verruimd en aan de eisen van de tijd aangepast:

  • Studiebeurzen voor afstammelingen van Mathias Moubis en Antonetta Canoy.
  • Steun aan behoeftige familieleden.
  • Ondersteuning van liefdadige doelen met een katholieke grondslag.

De eigendommen van de stichtingen.

Een andere belangrijke aangelegenheid uit de jaren tachtig betrof de bezittingen van de stichtingen. Door een ruilverkaveling en de onteigening van een deel van de grondbezittingen van de St.Josephstichting ontving deze stichting een aanzienlijke som geld. De rente van dit geld vormde ineens een royale bron van inkomsten voor de stichting en bood ruimschoots de mogelijkheid om de zaken opnieuw aan te gaan pakken.

Een nieuw bestuur.

Mathieu Weekers, door ziekte genoodzaakt, droeg zijn functie in 1983 over aan zijn schoonzoon Ad Schuurmans. Hij had toen 45 jaar in het bestuur van de stichtingen gezeten wat een uitzonderlijke prestatie genoemd mag worden gezien de vele zaken die hij in die tijd voor de stichtingen geregeld heeft. Jo Moubis die, net als Mathieu Weekers, vond dat een jongere generatie maar eens moest aantreden droeg zijn functie over aan zijn zoon Ferrie Moubis. Het nieuwe bestuur kwam voor het eerst op 23 september 1983 op de pastorie in Belfeld bij pastoor Arnold Jacobs bijeen. Er werd besloten om een aantal zaken eens te gaan inventariseren. De pachten waren een groot aantal jaren niet meer herzien. De gelden moesten opnieuw belegd worden en de kapel was aan een opknapbeurt toe. In december 1984 besloot pastoor Jacobs om uit het bestuur te treden. Hij vond dat hij zijn functies als pastor enerzijds en rentmeester over de aan zijn parochianen verpachte gronden anderzijds niet kon verenigen. Hij besloot ook om geen opvolger te benoemen. Ingevolge de nieuwe statuten kwam het recht deze opvolger te benoemen in dat geval toe aan de twee overgebleven bestuursleden. Ad Schuurmans en Ferrie Moubis besloten om voorlopig nog geen opvolger voor pastoor Jacobs te benoemen. Zij spoorden in 1985 alle rechthebbenden, de wettige afstammelingen van Mathias Moubis en Antonetta Canoy op. Allen ontvingen een brief met de mededeling dat zij ƒ 100,- per persoon ten geschenke kregen. In de daarop volgende jaren werden jaarlijks een twintig tot dertig studiebeurzen aan familieleden verstrekt. De restauratie van de kapel werd ter hand genomen en op zondag 15 september 1985 vond de plechtige herinzegening door pastoor Steeghs onder grote publieke belangstelling plaats. Thijs Schuurmans, de zoon van Ad, werd tot koster benoemd en hij verzorgde het onderhoud van de tuin en de kapel.

Trieste tijden.

Eind 1988 brak een moeilijke periode aan. In december kwam de jonge koster Thijs Schuurmans tengevolge van een tragisch verkeersongeval om het leven. Enkele maanden later overleed zijn vader Ad Schuurmans ten gevolge van een slopende ziekte. Overeenkomstig de wens van Ad Schuurmans werd hij opgevolgd door zijn vrouw Marie-José. Ferrie Moubis en Marie-José Schuurmans besloten een derde bestuurslid te benoemen teneinde het bestuur weer voltallig te doen zijn. Ria Reiné, ook een kleindochter van Gerard Cleophas, werd het derde bestuurslid.

Mevrouw Frings, die vlak bij de kapel woont en die in deze moeilijke periode de kapel verzorgd had, werd door het bestuur tot kosteres van de kapel benoemd en zorgde tot 2016 verder voor het onderhoud van de kapel. Haar schoonzoon Leo Smeets nam het in 2017 van haar over. Het bestuur bestond toen uit:

  • Marie José Schuurmans, voorzitter
  • Ria Reiné, bestuurslid
  • Ferrie Moubis, secretaris

Helaas ontstond er in 1992 onenigheid in het bestuur. Na 3 jaar conflicten is het hele bestuur begin 1995 vervangen door:

  • Maic Beck, voorzitter
  • Bernadette Moubis-de Bitter secretaris
  • Zus Moubis-Esseling, bestuurslid

Bij het overlijden van Zus Moubis-Esseling op 27 mei 2002 werd, overeenkomstig haar wens, haar zoon Ferrie Moubis weer benoemd in haar plaats in het bestuur. Daarmee wordt de huidige samenstelling van het bestuur:

  • Maic Beck, voorzitter
  • Bernadette Moubis-de Bitter secretaris
  • Ferrie Moubis, bestuurslid

Tot slot.

Hiermee komt een einde aan het overzicht van de geschiedenis van de St.Raphaël Stichting en St.Josephstichting. Als het aan het bestuur ligt komt er echter zeker nog geen einde aan de stichtingen. Het bestuur hoopt nog in lengte van jaren aan allen die daar volgens de statuten recht op hebben, wettige afstammelingen van Mathias Moubis en Antonetta Canoy, studiebeurzen te mogen verstrekken en de doelstellingen van rector Jos Moubis te kunnen verwezenlijken. 

Moge zijn wens, om voor zijn familie een steun te zijn bij de opbouw van een goede toekomst, in vervulling blijven gaan.

Deze tekst is nagenoeg dezelfde als die in het boekje “De geschiedenis van de St.Josephstichting en de St. Raphaël Stichting” uit 1991.  Herschreven door F.A.J.M. Moubis Hulst, December 2017.

© Copyright 2017 Ferrie Moubis Hulst